Verdriet

In het park spreek ik met een man die ik al weleens eerder heb gezien, maar nog nooit echt heb gesproken. Hij stelt zich voor als Pjotr Augustus. “Dat is een keizerlijke naam” zeg ik en met een lach bevestigt hij dat. Keizerlijk ziet Pjotr er echter niet uit, eerder wat verwaarloosd. Pjotr komt uit Polen. Hij is nu drie jaar in Amsterdam. We kletsen wat over Polen en over hoe hij in Nederland terecht kwam.

Er is iets met Pjotr wat ik maar niet helemaal weet te plaatsen. Er is iets scheefs met hem. Zijn gebit is in slechte staat. Pjotr is mager en hij komt niet goed uit zijn woorden. Het doet me denken aan iemand die drugs gebruikt. Ergens klopt dat echter ook weer niet. Zijn gezicht is vrij abrupt asymmetrisch en ik heb de indruk dat hij wat moeizaam loopt. Het is allemaal gewoon wat scheef.

Dan neemt het gesprek een wending. We worden serieus. Pjotr vertelt me dat hij betrokken was bij een zwaar auto-ongeluk. Dat verklaart veel. Zijn verwondingen spelen hem nog steeds parten. Nog dieper duikt het gesprek. “Ze zijn allemaal omgekomen,” vertelt Pjotr me “ik ben de enige die het heeft overleefd.” Ik merk aan hem dat hij dit verhaal niet vaak verteld. “Ben je blij dat jij nog leeft” vraag ik en het gesprek valt in een stilte. Pjotr aarzelt. “Ik weet het niet” zegt hij tenslotte. Hij kijkt mij aan en loopt weg.

Dat hij het niet weet of hij wel blij is dat hij het ongeluk heeft overleefd, zou zo maar het meest eerlijke kunnen zijn wat Pjotr in lange tijd heeft gezegd. “Ben je blij dat je nog leeft” is een moeilijke vraag. Het is denk ik bij uitstek een vraag die ik als straatpastor wel moet stellen. Een vraag die door anderen, en door Pjotr zelf, vergeten en vermeden wordt. De eerlijkheid die Pjotr even liet zien, zal hem verder helpen. Ik kan me niets anders voorstellen.

Luc Tanja
straatpastor

Deze column verscheen eerder in Elisabeth, nr. 22, 2015